Île de Mato, Baie de Prony en Île des Pins, Nieuw-Caledonië

15-10-2012

Nu alle zeilen weer uit de knoop zijn, zeilen we vanaf Île de Maître, waar we eerder waren, 30 mijl door naar Île de Mato, een kleine groene ‘puist’ in zee. We liggen er prachtig: met weids uitzicht op zee maar wel in de beschutting van een rifje. Dat is het beste van beide.

De volgende morgen gaan we in de dinghy naar het eilandje toe om de berg te beklimmen, tenminste, dat is onze bedoeling. Tussen de koraalhoofdjes door manoeuvreren we om het eilandje heen, op zoek naar een wandelpad. We worden al snel afgeleid want links en rechts schieten om de haverklap schildpadden langs de dinghy. Zeevogels op een hagelwit strandje lijken te poseren voor een mooi schilderij. Wow! Aan land gaan durven we uiteindelijk niet, omdat het afgaand water is en de kans groot is dat we dan voorlopig niet meer weg kunnen komen. Maar ach, het ritje in dinghy is eigenlijk al mooi genoeg.

We besluiten door te varen naar Baie de Prony, een grote baai aan de zuidoost kant van het hoofdeiland ‘Grande Terre’. Het wordt 15 mijl ’uniek’ zeilen, met een mooi windje op vlak water. We zigzaggen langs heel veel kleine eilandjes en rifjes die op ons pad komen en hebben daarbij geluk: de kaart klopt hier eens een keer wél. Dat is het afgelopen halfjaar wel eens anders geweest. In Baie de Prony kunnen we kiezen uit tientallen mooie ankerplekken. Tussen de roodbruine rotsen en pijnbomen door varen we een steeds smaller en ondieper wordend riviertje op, totdat we écht niet verder kunnen. Met als enige levende wezens om ons heen de tropische vogels brengen we daar de nacht door.

’s Ochtends gaan we in de dinghy verder het riviertje op, waar we na een tochtje over kristalhelder water letterlijk stuiten op een plek met honderden watervalletjes, rode rotsen en kleine natuurlijke bassins met zoet water. Van dat zoete water wordt dankbaar gebruik gemaakt door de ‘yachties’: de buurman komt net terug met een dinghy vol wasgoed, dat hij in het zoete water heeft gewassen. Wij houden het bij een heerlijk verkoelend zoetwaterbad voor onszelf. Linde kirt het uit van plezier in ‘bad’ en Maren leeft haar helemaal uit met klimmen en klauteren op de rode rotsen.

We hoppen van het ene mooie ankerbaaitje naar het andere, van het ene onbewoonde eilandje naar het andere; stuk voor stuk bijzondere plekjes. De laatste ‘grote’ sprong in Nieuw-Caledonië is die naar Île des Pins, het meest zuidelijk gelegen eiland. Dat is een tocht van 35 mijl vanaf onze ankerplek. We zeilen aan de wind met 7 tot 8 knopen op de teller en de Seaquest (én haar bemanning) is in haar element. Een heerlijke ‘generale’ voor de oversteek naar Nieuw-Zeeland!

Bij Île des Pins gaan we voor anker in Baie de Kuto. We liggen voor een prachtig strand met wit poedersuikerzand; zo’n strand waar complete families hun vrije dag zouden kunnen besteden maar het tegendeel is waar: we hebben het hele strand voor ons alleen en dat maakt het strand nog mooier. Naast de Seaquest zwemt een ‘joekel’ van een schildpad van wel anderhalve meter lang. Tjonge, daar zijn we even stil van. Zó groot hebben we ze nog niet gezien.

Er zijn weer volop mooie ankerplekken bij Île des Pins. De mooiste plekjes zijn te vinden bij de piepkleine onbewoonde eilandjes, met van die hagelwitte strandjes uit de folder. Maar ja, dat zijn ook de plekken die het minst goed bereikbaar zijn door de omliggende riffen en ondieptes. We wagen het er toch op en proberen bij Îlot Moro te komen. Door een hele smalle doorgang in het rif varen we naar binnen. Dat moet ‘op het oog’ want de kaart geeft geen doorgang aan, terwijl die er volgens de pilot wel is. Als we nog slechts 30 cm onder de kiel hebben, besluit Huib jan rechtsomkeert te gaan. Hij heeft dat besluit nog niet genomen, of we schuiven met een kleine maar toch duidelijk voelbare schok op het zand. Onze kapitein houdt in zulke situaties altijd het hoofd koel en probeert het schip 180 graden te draaien in de toch wel benarde positie. ‘As usual’ krijgt hij dat gelukkig vrij snel voor elkaar. Ikzelf sta met kromme tenen op het voordek, op zoek naar een ‘gaatje’ terug. Al slalommend komen we langzaam maar zeker weer op ruimer en vooral dieper water. Pfff…

Wat nu? We geven niet zo gauw op en hebben een leuke ankerplek op het oog in Port de Vao. Dat is in een grote lagune, dus ‘moet kunnen’ zou je denken. Maar ook hier moeten we alles uit de kast halen om veilig op de juiste plek te komen. De kaart houdt op met details weergeven (juist op het moment dat we die nou nét nodig hebben…) en dus moeten we wéér op het oog verder. De pilot heeft ons gewaarschuwd: “Keep your eyes peeled for the hundreds of reefs en route.” Dat is duidelijke taal. Als bijkomende handicap betrekt op precies het foute moment de lucht en dat zorgt ervoor dat de ondieptes en koraalhoofden nóg slechter te zien zijn. Ik sta weer voor op de punt aanwijzingen te geven. Het állerbelangrijkste attribuut daarbij is mijn zonnebril met gepolariseerde glazen. Het is echt ongelooflijk hoe goed zo’n bril werkt: ineens zie ik alle ondieptes en koraalhoofden, die ik zonder die bril gewoon over het hoofd zie – en dat ligt écht niet aan mijn ogen. Zo’n zonnebril maakt het verschil tussen varen of stranden! Stapvoets bereiken we uiteindelijk onze ankerplek voor die nacht, met uitzicht op het dorpje Vao, waar de pijnbomen hoog boven de kerktoren uittorenen; alsof ze nog eens willen bevestigen dat we op Île des Pins zijn.

p.s. de foto’s van het verblindend witte poedersuikerstrand zijn helaas spoorloos verdwenen van de camera. Foute knopje ingedrukt :-(

Automatisch op de hoogte blijven van onze reis? Meld je aan via bovenstaande rss-button!