Tanna, Vanuatu (Melanesië)

25-8-2012

Zondag zetten we voet aan wal op het eiland Tanna. Al snel worden we door een jonge vrouw uitgenodigd in haar dorpje, waar we als welkome gasten worden ontvangen. Het leven is er eenvoudig en primitief; de mensen wonen in kleine rieten huisjes zonder enige vorm van luxe. Elektriciteit is er niet en er is slechts één waterkraantje voor het hele dorp. Maar het leven is er goed. Iedereen is vrolijk: kinderen in stoffige broekjes, vrouwen die matten en tasjes vlechten, mannen zittend onder een boom, ja zelfs de loslopende varkens lijken te lachen. De openheid, blijheid en gastvrijheid van de mensen omarmen ons. Links en rechts krijgen we papaya’s, citroenen en bananen toegestopt. Van geld wil men niets weten. Dat is Vanuatu ten voeten uit: rijkdom wordt hier niet gemeten in wat je bezit maar in wat je weg kunt geven. Als we een paar uur later weer bootwaarts gaan, bedankt men ons dat we hier te gast wilden zijn. We zijn overweldigd. Een betere eerste indruk van Vanuatu hadden we ons niet kunnen wensen.

De volgende morgen gaan we naar Lenakel om in te klaren. Achter in een pick-up gaan we op pad, over een hobbelpad dwars door de rimboe van Tanna. Maar liefst 19 man passen er in de auto, plús bagage, zakken meel, stromatten, boodschappen, etc. Als we onze verbazing daarover uitspreken, antwoordt de chauffeur met een glimlach: ‘Ach, als het onze eigen mensen waren geweest, hadden er minstens 25 in gekund!’ Los van de oncomfortabele zitplaats genieten we van de meer dan twee uur durende reis. Het overweldigende groene regenwoud is een lust voor het oog. We passeren het ene na het andere piepkleine dorpje, dat steeds bestaat uit slechts een paar kleine rieten hutjes verscholen tussen het groen, met veel loslopende kippen, varkens, koeien en geiten. De mensen zwaaien en lachen naar ons. We kunnen niet anders dan blij terugzwaaien.

We klaren in – en meteen ook maar weer uit, om onszelf nóg een retourtje over het karrenpad te besparen. Dat we nog een weekje ‘illegaal’ in Vanuatu zullen blijven, vertellen we er maar even niet bij. Daarna bezoeken we de markt, altijd weer één van onze favorieten. De mandarijnen worden kunstig vastgemaakt aan een stok. Die willen wij ook! Na een eenvoudige lunch aanvaarden we de terugreis: een minstens zo lange rit als de heenreis. We stoppen onderweg om steeds weer een andere reden: de chauffeur moet brood kopen, hij wil kava drinken, moet nog wat groente halen, zijn boodschappen thuis afgeven en ga zo maar door. Het kan hier allemaal en wat maakt het eigenlijk uit? Moe, stoffig, met het zand tussen de kiezen én met een gebroken rug komen we aan het eind van de middag weer bij de Seaquest aan. Een slopende maar bijzondere ervaring rijker.

Het kan niet op deze week. We bezoeken de actieve vulkaan Mount Yasur, die we iedere avond vanaf de Seaquest achter de berg zien ‘gloeien’. Achter in de beruchte pick-up gaan we aan het eind van de middag op pad. Via een soort maanlandschap rijden we langzaam maar zeker de helling van de vulkaan op. Eerst staan er nog varens zo groot als bomen langs de kant van de weg maar het landschap wordt steeds meer gereduceerd tot een zwarte woestijn waar niets dan rook uit de berm omhoog komt. Dit wordt serieus!

De laatste 150 meter leggen we te voet af. We klimmen door het zwarte zand omhoog tot we op de rand van de krater staan. Wat we daar horen, zien en voelen is onbeschrijflijk. Mount Yasur gorgelt, sist en rookt voortdurend en dat alleen al maakt heel veel indruk. Maar zo nu en dan begint de grond onheilspellend te trillen en plotseling, na een luide explosie, verlicht een fontein van magma de donkere nacht. Moeder aarde laat ons haar állerbinnenste binnen horen, zien en voelen. Ongelooflijk, indrukwekkend en angstaanjagend tegelijk. Linde staat spontaan ‘oohhh!’ te roepen en begint te klappen, alsof ze naar het vuurwerk van de Dokkumer stadsfeesten staat te kijken. Maren zit plotseling bóórdevol inspiratie voor haar eerste spreekbeurt. ‘En als ik 20 of 27 ben, dan ga ik heel hard sparen en dan wil ik wéér naar de vulkaan.’ En wij? Wij zijn er stil van. Dit is echt onvergetelijk.

In de baai, pal naast de Seaquest, zien we de hele week ook al stoom uit het water en de grond omhoog komen. We gaan aan wal om de ‘hot springs’ eens van dichtbij te bekijken. Direct worden we opgevangen door twee meisjes, die ons de weg wijzen naar de bronnen, deels verscholen in het groene woud. De aarde stoomt, sist en borrelt. Het water is zó heet, dat je er een avondmaaltje in kunt koken – en dat doet men dan ook. Op plekken waar het water iets minder heet is, nemen kinderen een warm bad en doen vrouwen de was. De kleigrond op de dampende berghelling is zó kleurrijk, dat het kant-en-klare verfpasta is. Schmink voor Maren!

Regelmatig wordt er bij de Seaquest aangeklopt door een ‘local’ in een kano vol met ruilhandel: fruit en groenten uit eigen tuin in ruil voor onze brandstof, kleding, schoolspullen, visgerei, etc. De bananen komen ons de neus uit maar de lol van het ruilen is zó groot, dat we toch iedere keer weer iets ‘op verzoek’ uit de kast halen. Voor blijde gezichten doen we alles.

Een last-but-not-least hoogtepunt deze week is een uitnodiging voor het bijwonen van een eeuwenoude traditie op Tanna: de Kastom-ceremonie. Jongens tussen de 5 en 10 jaar worden na hun besnijdenis drie weken de bush in gestuurd zonder hun ouders, waar ze door andere mannen op een geheime plek worden voorbereid op het ‘man-zijn’. Op deze feestelijke dag keren de jongens terug uit de rimboe en dat wordt gevierd met dans, muziek, eten en cadeaus. Niks dansshow voor toeristen, dit is het échte Vanuatu in haar volste glorie en wij mogen daar deelgenoot van zijn!

’s Morgens vroeg al gaan we op pad om op tijd bij de ceremonie aanwezig te zijn. We moeten eerst namelijk ruim een uur lopen door het regenwoud. Links en rechts sluiten feestelijk geklede mensen aan bij de steeds langer wordende stoet feestgangers. Alle dorpjes lopen leeg voor de ceremonie. De vrouwen en meisjes zijn gekleed in vrolijk gekleurde strorokjes. Ze dragen pluimen met gekleurde veren in hun kroeshaar en zijn al even kleurrijk geschminkt. In takken van gedroogde wilde hibiscus, die ze met zich meedragen, hangen snoepjes en cadeautjes voor de kinderen. Wij voelen ons maar sobertjes gekleed in de verder zo vrolijke stoet. En dat is misschien wel de juiste plek.

Eenmaal in het dorp is men druk in de weer met de laatste voorbereidingen voor de ceremonie. De mannen maken een soort ‘feeststapels’, één voor iedere stam, te beginnen met hete kolen, met daarop het te bereiden feestmaal. Het eten wordt afgedekt met bladeren en takken, gevlochten matten, héél veel gekleurde lappen stof en tot slot de rest van de cadeaus: gevlochten tasjes, matten, peddels, suikerriet, etc.

De jongetjes keren met veel ritueel terug uit het bos. Het emotionele jammeren van één van de moeders gaat ons door merg en been. De jongens zijn ‘verstopt’ tussen de mannen en na veel zang en dans worden ze ‘bevrijd’ uit de kring en mogen ze terugkeren naar hun familie. De stapels worden afgebroken en de cadeaus en het eten worden verdeeld. Veel cadeaus zijn bestemd voor de oudste broer van de moeder van de jongetjes, die een belangrijke rol in de familie heeft. De ‘jonge mannen’ (in onze ogen nog érg klein) zijn gehuld in een strorokje en op hun gezicht is o.a. een snor geschminkt. Ze lijken er wat gelaten onder, ondergaan wat ze moeten ondergaan en genieten vooral van alle lekkers en de cadeautjes. Maren bekijkt het ritueel samen met een paar jongens vanuit een boomhut-uit-haar-dromen.

Het feest gaat nog tot diep in de nacht door maar wij gaan weer naar ons eigen vertrouwde eilandje, de Seaquest. Vanuatu heeft ons hart veroverd. We zitten vol van de indrukken. En eigenlijk lopen we een beetje over, zó veel indruk maakt Vanuatu. Het is tijd om verder te reizen maar Vanuatu verdient een tweede ronde. Volgend jaar hopelijk meer…

Automatisch op de hoogte blijven van onze reis? Meld je aan via bovenstaande rss-button!