Rondreis Zuidereiland: de Oostkust

20-3-2013

Valse start! We moeten 300 kilometer rijden van Queenstown naar Dunedin en willen vroeg vertrekken. De reis begint echter met een lekke band, waardoor we flink vertraging oplopen. En we zijn nog geen half uur onderweg of we staan al wéér stil; de highway is bedolven onder rotsblokken die spontaan van de berg zijn gerold. We maken er maar het beste van: de kinderen spelen op de snelweg en wij drinken een kopje koffie in de berm.

Als de weg weer 'schoon' is, houdt niets ons meer tegen om naar Dunedin te gaan. We rijden langs fruitgaarden, glooiende gele bergen, weiden bezaaid met rotsblokken, blauwe meren, slingerende riviertjes en door schattige kleine 19e eeuwse dorpjes. We zien dat de herfst langzaam maar zeker haar intrede doet. Aan de temperatuur is dat nog niet echt te merken (nou ja, 's avonds een beetje dan) maar de bladeren kleuren langzamerhand geel en dwarrelen door de lucht. Alle fruit is rijp en valt van de bomen. Overal staan fruitstalletjes of fruitschuren waar je voor weinig geld kisten vol verse vitamines kunt kopen. Opvallend genoeg zien we ook heel veel schapen. Eigenlijk hadden we die al veel eerder en veel meer verwacht. Ons beeld van Nieuw-Zeeland blijkt echter een beetje achterhaald: op veel plaatsen zijn de witte wollige dieren de laatste jaren verdwenen uit het 'straatbeeld', omdat koeien en reeën nu eenmaal rendabeler zijn.

Het landschap wordt steeds glooiender, lieflijker. We naderen de oostkust en de stad Dunedin. En daarmee verandert ook het weer. In Dunedin is het koud, kil en nat. Voor onze begrippen dan. Maar goed, het kan ook niet altijd feest zijn. Dunedin is een studentenstad en vooral ook een Schotse stad, inclusief doedelzakmuziek en Schotse winkels. Het waren dan ook Schotse immigranten die de stad 150 jaar geleden stichtten. Het centrum is gebouwd in de vorm van een octagon, een achthoekig plein net als in Edinburgh, van waaruit de straten in alle windrichtingen lopen. De allure van vroeger is nog duidelijk zichtbaar maar nu is het op veel plekken toch een beetje vergane glorie, op een paar markante gebouwen na. Maar: de sfeer is er goed.

Heel even voelen we ons Sjakie in de chocoladefabriek, als we een rondleiding krijgen door de Cadbury fabriek in Dunedin. Het is vooral leuk om te zien hoe 'Jaffa's', een soort M&M's, worden gemaakt. We zijn na afloop doordrongen van de chocoladegeur en -smaak en zitten zelfs onder de chocoladespetters. Als klap op de vuurpijl krijgen we nog een tas vol chocolade mee als we de paarse fabriek verlaten. Niet dat ik daar nog zin in heb trouwens na zoveel chocola...

Tijd voor wat meer natuur. We gaan op zoek naar de bedreigde Geeloogpinguïns op Katiki Point. Daar moeten we een flink stuk voor rijden maar we hebben geluk, álle geluk zelfs want we zien de pinguïns het strand oplopen en niet één maar wel een stuk of tien en ze komen ook nog eens héél dichtbij, op slechts een paar meter afstand, wow! We gaan zitten om in alle stilte te genieten van dit schouwspel. Even verderop struikelen we bijna over de zeeleeuwen op een prachtig stukje kust aan de Pacific. Wát een bijzondere plek!

We rijden weer terug over de 'gravel road', wat zorgt voor behoorlijk stoffige autoramen. Linde vraagt zich hardop af: "Hoe komt het toch dat onze luiken zo vies zijn?" Beroepsdeformatie zullen we maar zeggen. Maar wel tijd voor de zoveelste wasstraat.

Als we Dunedin verlaten rijden we nog even door Baldwin street, de steilste straat ter wereld volgens het Guinness Book of Records, met een helling van 38 graden. De meeste mensen betreden de straat per voet maar Huib Jan wil de uitdaging wel eens aangaan op vier wielen. Onze ouwe trouwe Saab moet waarachtig echt zijn best doen om boven te komen en de hellingproef die we noodgedwongen doen liegt er ook niet om. Gelukkig heeft onze chauffeur stalen zenuwen.

We maken een tussenstop bij de Moeraki Boulders, een wonderlijke 'verzameling' grote bolvormige stenen op het strand. Die stenen lijken daar zonder enige reden te liggen en dat is nou nét wat ze zo bijzonder maakt. De verzameling grote knikkers geeft een hele andere kijk op een kiezelstrand en ze zorgen voor leuke plaatjes.

Als we het binnenland inrijden, is de wereld eerst nog vlak. Op de geelbruine weiden staan (zonder overdrijven) honderden meters lange sproei-installaties om het gras een beetje groen te houden. Zo groot hebben we ze nog nooit gezien, het is gewoon een bezienswaardigheid!

In de Waitaki Valley volgt de weg de kunstmatig aangelegde meren Waitaki, Benmore en Aviemore, waarvan het water gebruikt wordt om electriciteit op te wekken d.m.v. hele grote stuwdammen. Het mooie weer zorgt voor rimpelloos water, waardoor de meren veranderen in spiegelmeren. Tijd voor een fotostop! Via het wonderlijke melkachtige blauwe Lake Pukaki komen we uiteindelijk bij het minstens zo blauwe Lake Tekapo, waar we ons kamp opslaan voor twee nachten op een betoverende plek.

We beklimmen Mt John via een nogal steil pad naar de top. Baldwin Street is er niets bij ;-). Maar die klim wordt beloond: we hebben prachtig uitzicht op het Mackenzie Basin: de geelbruine 'meadows' -een uitgestrekte vlakte begroeid met beemdgras- omringd door bergen, waaronder de hoogste berg van Oceanië: Mount Aoraki, oftewel Mt Cook. Sprankelende turkooisgekleurde gletsjermeren liggen voor ons, aan de voet van de Zuidelijke Alpen. Je zou bijna denken dat het gephotoshopt is. Maar de unieke blauwe meren blijken hun kleur, puur natuur, te krijgen door fijne gletsjerdeeltjes in het water.

In het dorpje Tekapo brengen we een bezoek aan de 'Church of the Good Shepherd'. Het kleine kerkje is minder oud dan het er uitziet, uit 1935, maar het is wel erg 'charmantisch' (aldus Linde). Voorin staat geen altaar o.i.d. maar er is een groot raam met eersterangs uitzicht op het blauwe Tekapomeer. Altijd handig als de voorganger lang van stof is.

We rijden door de Burke's pass terug naar de oostkust. Het landschap verandert als we de Alpen achter ons laten: geen bergen meer maar de Canterbury Plains, een voor Nieuw-Zeelandse begrippen opvallend groot stuk vlak land.

In Christchurch zijn we diep onder de indruk. De aardbeving van 22 februari 2011 heeft diepe sporen nagelaten op de stad. We hadden al gehoord dat die aardbeving behoorlijke schade had aangericht maar nu we er zelf zijn, zijn we.... stil. Het is echt veel erger dan we ons hadden voorgesteld, zelfs na twee jaar. Bijna alle toeristische hoogtepunten uit onze Lonely Planet van twee jaar oud zijn van de kaart geveegd. Het hele centrum is afgezet met hekken en daarachter is nog een berg werk te verzetten, zien we op afstand. Wat een trieste aanblik is het... en toch... Tegelijk voelen we een enorme 'drive' bij de mensen om er samen wat van te maken, samen de schok en het verdriet te verwerken en samen de stad weer op te bouwen, al zal dat nog jaren duren. Er wordt een tijdelijke kathedraal van papier(!) gebouwd, er is een tijdelijk winkelcentrum gemaakt van zeecontainers - en dat ziet er nog gezellig uit ook. Grote indruk maakt een monument van 185 lege witte stoelen op de plek van een verwoeste kerk, allemaal unieke stoelen, die de 185 slachtoffers van de aardbeving symboliseren. Als ik (schrik!) een witte maxicosy op de voorste rij zie staan, schiet ik vol... Ook de meisjes zijn zwaar onder de indruk. Linde vraagt: "Mem, welke oorlog heeft dat allemaal kapotgemaakt?"

Vanuit Christchurch gaan we met de TranzAlpine trein naar Arthur's Pass, de hoogste route over de Alpen. We hebben het idee om daar, op bijna 1000 meter hoogte, te gaan wandelen en te genieten van de natuur en het mooie weer. De reis is prachtig, langs rivieren, door tunnels, over bruggen, door kloven en over bergen. Maar eenmaal in Arthur's Pass is de teleurstelling groot. Het is er grijs, grauw, koud en het regent. Die mooie wandeling kunnen we wel vergeten en de voorspelling belooft ook niet veel goeds, integendeel. Binnen vijf minuten (gelukkig kan Huib Jan altijd snel schakelen...) zitten we daarom weer in de trein, de mensen om ons heen verbaasd dat we er weer zijn, terwijl we net afscheid hebben genomen. We rijden door naar het eindpunt, naar Greymouth, waar het deze keer echt 'grey' is. We kruipen een cafeetje in, waar we opwarmen met een grote kom tomatensoep en stappen daarna weer op de trein terug naar Christchurch. Met spelletjes ganzenbord, kaarten en vier-op-een-rij verdrijven we de tijd want van de mooie omgeving zien we niet veel meer door de laaghangende bewolking. Drie bussen vol Taiwanezen, die halverwege de terugreis bij ons in de coupé komen zitten, vrolijken de boel onverwacht een beetje op. Ze verwennen Maren en Linde met allerlei Taiwanees lekkers en wij hen met Hollandse koekjes. Hilariteit alom, het lijkt wel een schoolreisje!

In de regen rijden we de volgende morgen naar Kaikoura. Direct links van ons zien we voor de laatste keer de hellingen van de Alpen en direct rechts hebben we ruim zicht op de Pacific. Linde is 'zeeziek' (aldus de patiënt); haar vijfjarige maag is tegenwoordig beter bestand tegen de zee dan tegen autorijden, hebben we in de afgelopen weken helaas meerdere malen ontdekt. Deze keer hebben we gelukkig niet de hele auto maar alleen de hele stoep eronder.

De regen houdt aan en dat is even schakelen want dat zijn we niet meer gewend. Eigenlijk zijn we gewoon vérwend... Die regen zorgt er echter wel voor dat de kurkdroge grond weer wordt gevoed met water, dat stroompjes weer veranderen in echte rivieren en: dat op de bergen de eerste verse sneeuw van dit seizoen verschijnt! Als na twee dagen het zonnetje weer gaat schijnen is de wereld hier dan ook nóg mooier geworden.

Hoogtepunt van Kaikoura is het spotten van de 'sperm whales', oftewel potvissen. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde want de boottrip die we hadden geboekt gaat i.v.m. de weersomstandigheden niet door. Op de valreep (we moeten de ferry naar het Noordereiland halen) krijgen we een alternatief aangeboden: of we met een klein vliegtuigje de walvissen willen spotten. Nou, dat willen we natuurlijk wel! Al snel zien we twee potvissen, allebeide 15 tot 20 meter lang en allebeide mannetjes, leren we. In hun tienerjaren komen de mannetjes naar Nieuw-Zeeland, omdat ze hier een perfecte voedingsbodem vinden. Pas als ze volwassen zijn keren ze terug naar de vrouwtjes, naar de warmere wateren van hun geboortegrond, in bijvoorbeeld Fiji of Tonga. We genieten vanuit de lucht van de twee zeereuzen, net zo lang tot hun staart recht omhoog komt, hét teken dat ze weer in de diepte verdwijnen.

Hals over kop haasten we ons daarna naar de ferry. We werpen een laatste blik op het geweldig mooie Zuidereiland, dat ons hart heeft gestolen. We vonden het écht 'Supercalifragilisticexpialidocious', om maar eens in Mary Poppins termen te spreken: "weer eens wat anders dan reusachtig, mooi en prachtig, een woord dat alles slaat, hoewel het niet in woordenboeken staat."

Automatisch op de hoogte blijven van onze reis? Meld je aan via bovenstaande rss-button!