Logboek juli 2013

Sumbawa, Indonesië

Geplaatst op 29-7-2013

Voor het plaatsje Sangeang op het eiland Sumbawa gooien we woensdagmiddag ons anker uit, na een tocht van ruim 40 mijl vanaf Gili Lawa Laut. De stroming hadden we deze tocht behoorlijk mee, wat eerder geluk dan wijsheid was, maar daardoor gingen we wél 10 knopen over de grond! In ons kielzog de Luna Verde en de Boomerang.

Meteen komen kinderen in kleine houten kano's ons begroeten. De eerste drie bootjes verwennen we met een snoepje maar als er vervolgens van alle kanten wel héél veel kano's aan komen peddelen, stoppen we daar maar weer mee. Tijd om aan wal te gaan, waar we op het strand meteen wéér worden onthaald door allemaal kinderen, alsof ze elkaar hebben gewaarschuwd.

Op het strand van Sangeang worden grote houten schoeners gebouwd van zo'n 30 meter. De bouwwijze is traditioneel: er wordt uitsluitend gewerkt met houtverbindingen, uitgezonderd de kiel dan. Een ontwerp op papier ontbreekt maar dat lijkt hier ook niet nodig. Dit is puur vakmanschap en teamwerk zoals het is bedoeld; indrukwekkend om te zien.

Het dorpje zelf is echter minstens zo interessant: het heeft opvallend rechte straatjes, veel dezelfde soort huisjes-op-palen en het is goed georganiseerd. Later horen we dat het hele dorp in 1988 in één keer is verhuisd van de nog actieve vulkaan Sangeang (op het eilandje aan de overkant) naar hier, op last van overheid. Aha, vandaar.

We wandelen wat door het web van straatjes en geven onze ogen goed de kost. Overal zien we vrouwen die met een jobsgeduld grote ikat doeken weven in kleurrijke kleuren; kinderen op fietsjes; kinderen met hoofddoekjes op; vrouwen met manden, doeken, bakken en lange planken balancerend op hun hoofden; mannen met een geit onder de arm en ga zo maar door.

Maar wat ons vooral zal bijblijven is de steeds grote wordende schare kinderen die ons volgt. We lijken de rattenvanger van Hamelen wel! Aan het einde van onze dorpswandeling kopen we een grote pot met kauwgomballen en een baal met chips en bij het uitdelen daarvan wordt het 'rattenvangergevoel' alleen maar groter...

Vanaf het zwarte strand worden we even later vrolijk uitgezwaaid door (zo lijkt het) werkelijk álle kinderen uit het dorp. Vol van de indrukken zijn we dan wel toe aan een frisse borrel in de kuip, op ons eigen poepie-luxe 'eilandje' genaamd Seaquest.

Om zes uur de volgende ochtend staan we op, om gedrieën weer 75 mijl verder te gaan naar Kananga. Het is een pittige dagafstand. De zee is vlak en er staat een mooie maar wel érg wispelturige zeilbries, wat resulteert in een actieve zeiltocht langs het vulkanische landschap van Sumbawa. We moeten bovendien alert blijven op de lange visnetten, waarvan er hier verdraaid veel in de zee liggen.

Eenmaal bij het dorpje Kananga gaan we maar even niet aan wal, nog vol van de indrukken van de dag ervoor, die ons systeem nog niet helemaal heeft verwerkt. En eigenlijk is het ook niet nodig want het dorpje komt weer naar ons toe, in de vorm kinderen in houten kano's. Die blijven als muggen op stroop rond de Seaquest dobberen. Ze zijn vooral nieuwsgierig - en hopen natuurlijk op snoepjes, stiften, kleding o.i.d. Maren mag een stukje in een bootje meepeddelen, tot grote hilariteit van de jongens, die niet elke dag een blonde meid in de boot hebben.

Vrijdag varen we 'naar de overkant', naar het eilandje Pulau Satonda, waar we een snorkelstop willen maken. Die stop levert vooral littekens op: met een grote klap knallen we met de kiel op een bombie, oftewel koraalhoofd. Au! Linde heeft een buil op haar voorhoofd, de volledige inhoud van de vaatwasser vliegt door de boot en vanaf nu is het koraal hier blauwer dan ooit tevoren én de onderkant van de Seaquest is nog nooit zo wit geweest; een pijnlijke constatering... De vissen lijken het overigens niet erg te vinden, integendeel, want bij de verse 'wond' op het koraal is het een drukte van jewelste, alsof er een gratis galadiner is opgediend. Misschien hebben we toch iets goeds gedaan?

Als we van de schrik zijn bekomen, varen we door naar Pulau Moyo, weer een ander eiland voor de kust van Sumbawa. Daar gooien we net voor zonsondergang ons anker uit, vlak voor een piepklein dorpje. Om ons heen wemelt het van de vissers in kleine kleurrijke houten bootjes, die de hele dag behendig zitten te vissen met slechts een visdraad en een haakje. Met een snelle handbeweging trekken ze de visdraad steeds omhoog en daarmee vangen ze opvallend veel vis.

Nog voordat we goed en wel liggen, worden we -in het Nederlands- opgeroepen door een ander schip dat ook in de baai ligt. Leo (zo blijkt) was vroeger eigenaar van een jachtwerf in Harlingen. Hij woont sinds acht jaar op Bali en heeft werkelijk de állermooiste charterboot laten bouwen die hier rondvaart: de Mutiara Laut, een houten schoener van bijna 40 meter (zie www.mutiaralaut.com). Leo herinnert zich de bootnaam 'Seaquest' van vroeger en nodigt ons uit om wat te komen eten en drinken. En zo zitten we even later aan tafel bij Leo, Philippe en Frans, drie Nederlanders die we stomtoevallig ontmoeten in een baai bij Pulau Moyo 'of all places'. Leuk detail: Frans heeft ons drie jaar geleden nog uitgezwaaid op Vlieland en nu staan we elkaar hier, stomverbaasd, weer aan te gapen. Net voor middernacht zijn we weer aan boord van de Seaquest, na een verrassend leuke, lekkere en onvergetelijke avond. Toeval? Het bestaat!

Link + foto's

Rinca, Komodo en Flores, Indonesië

Geplaatst op 24-7-2013

"Heit! mem! Linde! kom gauw! Ik zie er één! Een échte, écht waar,op het strand! Kom gauw!" Maren staat in de kuip en schreeuwt moord en brand, ze staat te trillen van enthousiasme. Voor het eerst in haar leven ziet ze een komodovaraan. En wij ook trouwens. Gewoon, op het stand waar we gisteren nog waren om te zwemmen. Maandenlang hebben we het er over gehad. En nu loopt 'ie daar doodleuk pal voor onze neuzen leuk te wezen. Ok, het is een kleine en hij is best ver weg maar: het is er één! Maren haar dag kan niet meer stuk. En dan is dit nog 'slechts' een voorproefje van wat ons deze week nog meer te wachten staat...

Maar eerst terug naar het begin van de week. Woensdag na de koffie en na schooltijd verlaten we Savu voor een tocht van 160 mijl over de Savu Zee naar het eiland Rinca. We varen de nacht door, om de volgende ochtend bij het opgaan van de zon verrast te worden door het ongelooflijk mooie landschap van Flores en Rinca: hoge ruige rotsen, vulkanen, indrukwekkende glooiende groene hellingen. Wow, dit is écht de gordel van smaragd!

Bij Rinca zoeken we een geschikte ankerplek, die we uiteindelijk vinden bij Lehok Teluk Ginggo, waar we ruim maar toch prachtig beschut liggen, vlak voor een paar witte strandjes met glashelder water. Alleen de Luna Verde, de Seaquest en een klein houten vissersbootje zijn hier en verder he-le-maal niemand. Wat een rust.

Een beetje aarzelend en behoorlijk op onze hoede, wagen we ons die middag op het strand. Er schijnen hier namelijk komodovaranen te zitten... Met een mengeling van 'gelukkig' en 'helaas' is er die dag echter geen spoor te bekennen van de dieren en we kunnen heerlijk zwemmen, rennen en spelen in en rond het water.

Maren is helemaal gefascineerd door de 'komodo dragons'; in het Engels vindt ze het véél spannender klinken. Ze heeft 's nachts in bed allemaal tactieken bedacht om de 'draken' uit de struiken te lokken: van rauwe biefstukken op het strand leggen tot zelf dan maar de struiken ingaan, gewapend met een lange stok. Wij zijn er niet zo happig op want de dieren zijn ons véél te happig, met de dodelijke bacteriën in hun tanden. Terwijl Maren daarover de volgende ochtend hardop loopt te fantaseren, komt er dus plotseling zo'n 'draak' uit de struiken het strand oplopen. Gelukkig zitten we veilig aan boord. Kunnen we even aan het idee wennen.

's Middags gaan we toch maar weer naar het strand om te zwemmen. We zijn meer op onze hoede dan de dag ervoor maar als de kust veilig lijkt, bewegen we ons steeds vrijer. Uiteindelijk worden we verrast door maar liefst twee komodovaranen, die 'zomaar ineens' het strand op komen lopen. Ze zien er eigenlijk best onschuldig uit. Maar niets is minder waar en we houden daarom gepaste afstand. Ze lijken overigens totaal niet in ons geïnteresseerd - blijkbaar zijn we niet zo'n lekker hapje voor ze. Of misschien hoort deze houding bij hun tactiek? We proberen het maar niet uit...

Maar de climax is toch wel een 'close encounter' met een 'joekel' van een komodovaraan. Tijdens een wandeling bij Loh Buaya op Rinca komt hij als een duvel uit een doosje plotseling tevoorschijn uit de bosjes en hij loopt ons zomaar tegemoet. Oeh! Dit wordt serieus... Maren en Linde kruipen weg maar gluren toch heel nieuwsgierig vanachter onze ruggen naar 'de draak'. De gids staat met zijn stok in de aanslag, klaar om een evt. aanval af te wenden. De ontmoeting is kort maar ontzettend indrukwekkend. Met zijn drie meter lengte, priemende ogen, eng lange tong en het sisgeluid zó dichtbij kunnen we nu écht zeggen dat we oog in oog hebben gestaan met een komodovaraan. Én dat het goed is afgelopen gelukkig ;-)

Rinca heeft nog meer voor ons in petto. Op het strand zien we herten en aapjes vrij rondlopen. Het lijkt hier wel een dierentuin! Vooral Linde vindt het schitterend: best spannend hoor, die komodovaranen, maar aapjes en hertjes zijn véél schattiger.

Tussen Rinca, Komodo en Flores kan het behoorlijk hard stromen. Soms zit het mee maar soms zit het ook behoorlijk tegen. Van Rinca naar Komodo kólkt het water gewoon, golfjes breken en onze snelheid over de grond is op een gegeven moment nog maar één knoop, terwijl we toch echt volle kracht vooruit varen.

Bij Pantai Merah, bij Komodo, gooien we ons anker uit, tussen de Luna Verde, de Boomerang en Lady of the Lowlands. Vier Nederlandse boten in één baai voor Komodo voor anker, uniek! Meteen worden we geënterd door een paar kleine houten bootjes met mensen die van alles en nog wat aan ons willen verkopen. Ok, het is even wennen maar we zijn weer op toeristisch terrein en dan hoort dit erbij. We kopen een klein houten komodovaraantje en geven ze wat kinderkleding en stiften.

Maren en Linde pakken de dinghy en varen samen naar hun vriendjes op de Boomerang om te spelen, wat ze minstens zo leuk vinden als het zien van de komodovaranen. Daarna gaan we prachtig snorkelen rond een rifje, met kleurrijk koraal en visjes die we nooit eerder hebben gezien. John en Debby kopen vier levende kreeften van een paar vissers, die we samen bereiden en verorberen bij een uitgebreide borrel op de Boomerang met alle 'Dutchies'. Het leven is zó goed :-).

Onderweg naar Flores vallen we weer van de ene verbazing in de andere. Als ik na een korte powernap wakker wordt op het achterdek, zie ik aan stuurboordzijde de glooiende groene heuvels, met daarachter de imposante ruige rotsen. Aan bakboordzijde zijn vissers in vissersbootjes in de weer met hun netten. Speervissers bewegen atletisch met hun speer in helderblauw ondiep water. Dolfijnen duikelen in slow motion langs de boeg van de Seaquest. Dit moet het paradijs zijn.

In Labuan Bajo, op West-Flores, maken we een praktische tussenstop: onze verse voorraden zijn helemaal op. We vinden er een opvallende mix van locals en toeristen. De markt is er héél 'basic'. We sprokkelen wat groenten en fruit bij elkaar: de minst verrotte wortels, kousenband, papaya's en ander exotisch lekkers. Dat is óók de charme van een wereldreis.

Met een min of meer gevulde koelkast varen we door naar het eilandje Gili Lawa Laut. Hier blijven we een dagje om te snorkelen. We maken een driftsnorkel samen met de bemanning van de Luna Verde en Boomerang, tussen de eilandjes Gili Lawa Laut en Gili Lawa Darat. We laten ons door de stroom meevoeren door de pas, met de dinghy op sleeptouw, en zien schildpadden, haaitjes, koffervissen, etc. Maar het hoogtepunt is toch wel de mantarog die onder onze neuzen doorzwemt. Een vis van een paar meter, die gracieus door het water zweeft, het blijft indrukwekkend. Door de sterke stroming worden we snel weer weggedreven van de mantarog maar dat maakt de ontmoeting misschien alleen maar magischer.

Indonesië, we vinden het magisch mooi. Daar kan geen dierentuin tegenop.

Link + foto's

Rote en Savu, Indonesië

Geplaatst op 17-7-2013

Onderweg naar het eilandje Rote waait het zaterdag letterlijk een storm, al voelt dat helemaal niet zo bij tropische temperaturen. We schieten lekker op: met halve wind halen we een topsnelheid van maar liefst 9,7 knopen!

Na een paar uren naderen we de kust van Rote. Eén ding hebben alle detailkaarten van dit gebied gemeen: ze kloppen van geen kanten. Opletten dus. De ankerplek bij Rote die we voor ogen hadden blijkt niet beschut genoeg met harde wind en daarom varen we nog eens 11 mijl verder. We varen een rivier op. Op de kant staan kleine rieten hutjes verscholen tussen het groen. Om ons heen varen mensen in houten kano's. Maar opvallend hier zijn vooral -hoe pittoresk- de vele plastic flessen, die als boeitjes in het water drijven. Voordat je er erg in hebt, zit er één in je schroef... Die geïmproviseerde boeitjes (zo ontdekken we later) maken deel uit van een zeewierkwekerij. Bérgen zeewier moeten dat zijn want zoveel plastic flessen heb ik nog nooit bij elkaar gezien. Via de rivier komen we uit op een lagune, het Korobafomeer. Wow! Ons decor voor die nacht is uniek. Buiten de Luna Verde, mangrove, tropische vogels, nou ja: én plastic flessen natuurlijk, is er helemaal niets.

De volgende ochtend vieren we de verjaardag van Thijs met appelcake, tekeningen, Australische en Indonesische cadeautjes en heel veel gezelligheid. Daarna besluiten we door te varen naar de 'hoofdplaats' van Rote: Baa. Als we daar aan het einde van de middag aan wal gaan, worden we op het strand opgewacht door tientallen kinderen, allemaal lachend en 'hello mister!' roepend. Een 'mama' tilt Linde op, om haar vervolgens nooit meer los te laten, tot alle goedbedoelde aandacht onze kleine meid te veel wordt. We besluiten haar eerst maar eens het woord 'tidak' (=nee) te leren.

Tussen eenvoudige rieten hutjes, varkens, kippen en wederom glimlachende mensen door lopen we naar het 'centrum' van het dorpje Baa: één straatje met eenvoudige winkeltjes en huisjes, een kleine en primitieve versie van Kupang. Ondanks de eenvoud is het er op een bepaalde manier toch opgeruimd en georganiseerd. Wij zijn een bezienswaardigheid in het totaal niet toeristische plaatsje. Iedereen wil helpen, iets verkopen, ons aanraken, of gewoon... kijken, lachen.

De terugtocht in de dinghy in de donkere nacht blijkt de grootste uitdaging van de dag. Het is laagwater en we moeten het bootje een heel eind slepen, met de blote voeten door het slik, voordat we überhaupt drijven. Als we eindelijk varen, blijken we gevangen te zitten in het rif; het lijkt wel of we steeds weer een fuik invaren en even lijkt het onmogelijk om in de donkere nacht een doorgang te vinden naar de de Seaquest toe. Moeten we hier een paar uur blijven dobberen, wachtend op hoogwater? Min of meer toevallig vinden we na heel lang zoeken een uitweg uit onze benarde positie: geholpen door een grote golf schuren we met de onderkant van de dinghy over het dode koraal heen, op weg naar onze vrijheid, pffff... Eerst maar even een borrel op de Luna Verde.

Maandagmorgen gaan we vroeg uit de veren voor de volgende 80 mijl naar het eiland Savu. De voorspelde wind blijft helaas uit, waardoor we de hele dag moeten motorzeilen om voor donker aan te komen. Voor het dorpje Seba gooien we aan het eind van de middag ons anker uit, om vervolgens een heerlijke nacht te slapen.

Na schooltijd gaan we de volgende dag aan wal. We wandelen door een puur Indonesisch winkelstraatje, met koopwaar op matjes en in eenvoudige winkeltjes. Overal glimlachende mensen, het houdt maar niet op. Er hangt een relaxte sfeer en we voelen ons welkom.

We willen graag wat meer van het eiland zien en proberen een taxi te regelen. Dát valt nog niet mee op een eiland waar bijna geen toeristen komen. De plaatselijke politieagent is toeschietelijk maar hij krijgt het niet voor elkaar iets voor ons te regelen. Uiteindelijk brengt hij ons in zijn dienstauto naar het Ministerie van transport, waar ze ons hopelijk verder kunnen helpen. Ministerie is overigens een groot woord voor de plek waar we terechtkomen maar: helpen willen ze er wel. We hebben mazzel: ze hebben hier de enige echt werkende internetverbinding op Savu, vanuit twee bestelwagens met satellietschotels die er voor de deur staan, waardoor we m.b.v. Google translations goed met elkaar kunnen communiceren. Huib Jan en zijn vertaalvriend gooien er zo nu en dan een grapje in op de computer, wat de nodige lachsalvo's over een weer oplevert. Ondertussen worden wij door de medewerkers steeds maar weer op de foto gezet. We blijven een bezienswaardigheid. En zo bezorgen we de ambtenaren de middag van hun leven.

Na 2,5 uur komt er eindelijk een gids en hij kan, jawel, ook een taxi regelen: een soort veewagen waarin in Nederland koeien worden vervoerd. We zeggen meteen ja. Jammer genoeg is er na het lange wachten te weinig tijd om ons hele 'wensenlijstje' af te werken maar onze actieradius wordt vooral beperkt doordat de brandstof, die hier zeer schaars en duur is, bijna op is. Een bezoek aan een zeewierboerderij zo'n 20 km verderop is dan ook letterlijk niet haalbaar.

Samen met onze gids Albert gaan we naar het traditionele dorpje Namata. De wegen zijn... uitdagend, met vaak meer gat dan weg. Achter in de wagen hebben onze ingewanden het zwaar te verduren maar de omgeving en het uitzicht zijn het waard. We rijden langs sawa's, over heuvels begroeid met gras en lontarpalmen, langs kleine dorpjes, over een weg in de rivier, prachtig!

In Namata komen we onaangekondigd aan. Geen probleem, men is gastvrij. Wel krijgen we eerst een welkomstritueel, waarbij we allemaal worden besprenkeld met water uit een halve kokosnoot. Daarna worden we door een 'mama' met een ongelooflijk engelengeduld in traditionele kleding gehuld en dan zijn we meer dan welkom in het dorpje.

De 'locals' groeten elkaar door de neuzen tegen elkaar aan te drukken, een groet waar een bijzondere warmte vanuit gaat. Het dorpshoofd van bijna 90 jaar komt ons speciaal welkom heten en we mogen hem alles vragen. Een verzameling grote ronde stenen met een platte bovenkant trekt onze aandacht. Het blijken 'nada ae', megalieten te zijn, waarvan de herkomst in nevelen is gehuld. Samen vormen ze nu een soort heilige plek waar wekelijks ceremonies met rituele slachtingen van dieren worden gehouden. Het is een vorm van animisme, een geloofsvorm die hier net zo levend is als het christendom. Veel willen de inwoners er niet over kwijt en we vragen uit respect maar niet door.

De mensen wonen in eenvoudige huisjes op palen, die bestaan uit een soort houten kubus met daaroverheen, losstaand, een dak van palmbladeren. Tussen de huizen lopen varkens, kippen en geiten, vastgebonden aan de oren of de poten. We krijgen een demonstratie van het weven van een ikat, de 'lappen' die we zelf ook dragen. Het is een arbeidsintensieve en tijdrovende klus die we zo kunnen waarderen, dat we er één kopen. Ondertussen maken onze gids en chauffeurs nog steeds meer foto's van óns, dan omgekeerd. Wie komt hier eigenlijk voor wie?

Aan het eind van de middag staan we, moe maar voldaan van alle indrukken, weer op het strand bij onze dinghy. Albert, zo blijkt, heeft ons rondgeleid voor een appel en een ei. Wat hij vooral wil, is ons blij maken en vrienden blijven en dat bewijst hij nog eens door een 'normale' beloning af te slaan; een kleine vergoeding is prima maar de rest van het geld dat we hem gunnen geeft hij ons vastbesloten terug. Ongelooflijk, maar dit bestaat dus nog. Albert zwaait ons uit op het strand, ons met een grote glimlach achterlatend - en omgekeerd. Van oor tot oor.

Link + foto's

Kupang, West-Timor, Indonesië

Geplaatst op 12-7-2013

Zondag 7 juli rond het middaguur lichten we het anker, tegelijk met de Luna Verde. We verlaten Darwin en daarmee ook Australië, op naar Indonesië! De eerste dag op zee staat er te weinig wind om te zeilen -dat wisten we- maar de zee is vlak en zo is het tóch prettig varen. Een dag later pakken we de beloofde wind op, die pál van achteren komt. We slingeren van links naar rechts; slapen, koken en afwassen is daardoor wat lastig maar ach, verder gaat het leven aan boord gewoon door. Wind en windstiltes wisselen elkaar ook de rest van deze tocht af maar al met al schieten we lekker op.

Uit onverwachte hoek krijgen we maandagmorgen bezoek: een roodwit vliegtuigje van de Australische kustwacht komt twee keer héél laag overvliegen. Ze vragen waar we vandaan komen, waar we naar toegaan en wat onze thuishaven is en wensen ons nog een hele prettige reis.

Dinsdagochtend om 5 uur zit ik alleen in de kuip in de roetzwarte nacht, als ik plotseling word opgeschrikt door een vuurbal in de lucht pal voor de Seaquest. Chips! Ik heb het hart in de keel zitten. Geef me regen, geef me harde wind, geef me ruige zeeën maar géén onweer alsjeblieft! Op de radar zie ik dat de bui gevaarlijk dichterbij komt en ik besluit Huib Jan wakker te maken. Samen rollen we het grootzeil in en we sturen 30 graden op. Op die manier proberen we de bui te ontwijken. En onze tactiek werkt; we krijgen slechts een staartje mee van het noodweer, dat na een achtervolging uiteindelijk in het niets oplost.

De lucht is warm en zwoel, zelfs 's nachts op zee. Voor de vorm doen we 's nachts een T-shirtje aan maar eigenlijk kun je net zo goed in je zwembroek blijven zitten. Ja, dit voelt toch echt weer als de Tropen!

Het Seaquest college bestaat tijdens deze oversteek voornamelijk uit Indonesische les: Maren en Linde leren tellen tot 10 in het Indonesisch, hallo en dank je wel zeggen, etcetera en ze krijgen natuurlijk een beetje geschiedenisles. Herhaaldelijk heb ik met Linde een discussie over de naam 'Indonesië'. Ze vindt het maar ingewikkeld: we zijn straks 'in Onesië' (de 'd' vergeet ze voor het gemak) en daarom gaan we nu toch náár Onesië? Leg dan maar eens uit dat we náár Índonesië gaan...

Hoe dichter we bij Timor komen, hoe meer vissersboten we tegenkomen: grote houten boten, primitief maar heel kleurrijk. Ze zijn moeilijk te traceren: ze hebben geen AIS, varen zonder marifoon, soms zelfs zonder navigatieverlichting en ze zijn van hout en daarom reflecteren ze slecht op de radar. Op de boten zitten complete families. Dit is hun huis, hun bron van inkomsten, hun fabriekje, hun alles-in-één midden op de oceaan. We varen een paar keer heel dicht langs elkaar. De hele familie komt aan dek om naar ons te zwaaien, te lachen, te wijzen, geweldig! We zwaaien terug en Maren en Linde blijven alsmaar 'salam!' roepen. Het is onze voorbode van het bijzondere land waar we naar toe gaan. Mijn hart maakt een gelukssprongetje.

De laatste 100 mijl naar Kupang kunnen we gelukkig zeilen. Een perfecte ruime wind blaast ons met ruim 8 knopen vooruit. Woensdagochtend heel vroeg zien we een lichtgloed voor ons opdagen. Timor! Maar daarvóór nog ruiken we Timor al. Dat blijft bijzonder, de geur van land als je aankomt na een oversteek.

Een paar uur later gooien we ons anker uit voor Kupang. Al voordat we aan wal gaan worden we overspoeld door de geluiden: toeterende auto's, snerpende fluitjes, vijf keer per dag de oproep tot het gebed door de luidspreker van de moskee. Wow, dit is... veel. We besluiten eerst nog héél even aan boord te blijven, voordat we gaan inklaren. Na een bezoekje van de crew van de Boomerang wagen we ons op de kant. Meteen staan er kinderen bij de dinghy, die willen helpen. Voor een snoepje natuurlijk, dat we gelukkig in de tas hadden gestopt.

Aan wal is het een lawine aan indrukken, vooral zo'n eerste dag. Gelukkig vangt Napa ons op. Napa regelt alle papierwerk (en dat is hier nogal wat) voor de boten die willen inklaren. Napa is onze gids en onze vriend, die ons op subtiele wijze wegwijs maakt in Kupang. Met zijn scooter volgt hij ons waar hij dat nodig vindt en ondertussen gaat hij van ambtenaar naar ambtenaar voor de benodigde stempels en handtekeningen.

We pinnen een paar miljoen Rupiah en de meisjes krijgen hun eerste Indonesische zakgeld: Maren 30.000 en Linde 20.000 Rupiah = €2,50 en €1,50. Ze voelen zich ontzéttend rijk en, eerlijk is eerlijk, voor dat geld kun je hier ook ontzéttend veel kopen.

Het straatbeeld van Kupang wordt bepaald door bemo's, brommers, scooters, kraampjes met duizend en één keer dezelfde koopwaar en, last but not least: heel veel glimlachende mensen. Bemo's zijn kleine opgepimpte minibusjes waarin mensen soms bijna letterlijk worden opgestapeld. Als je je hand opsteekt, stopt er één voor je en dan kun je voor 3000 rupiah = 24 eurocent zo'n 20 minuten meerijden. Huib Jan is te lang voor de busjes en zit daarom de hele rit verplicht dubbelgevouwen op een bankje. Maar: dan krijgen we wel Keiharde (met een hoofdletter K) muziek met een diepe bas op de koop toe. Onze trommelvliezen kunnen het maar amper aan. Mensen springen in en uit het busje op de meest onmogelijke momenten. Naast de chauffeur heb je nog zijn hulpje, die meestal half buiten het busje hangt om nieuwe klanten bijna letterlijk het busje in te trekken. We krioelen tussen de vele andere bemo's, brommers en scooters door, die links en rechts aan ons voorbijschieten, of omgekeerd. Langs de straatkant staan overal houten rekjes met kleine flesjes, gevuld met benzine: samen met een trechter vormen ze kleine geïmproviseerde tankstationnetjes. De bemo is een belevenis op zich.

Aan het eind van de middag komt de stad pas écht tot leven. Het is een drukte van jewelste: nóg meer brommers en scooters en het is een gekrioel van mensen met houten karretjes met 'wandelende koopwaar'. En omdat het vandaag het begin van de Ramadan is, is het nu nog eens extra druk. We snoepen gezellig mee van alle zoetigheid die na zonsondergang wordt verkocht.

Maren en Linde met hun blonde haren zijn een bezienswaardigheid in Kupang. Wildvreemde vrouwen raken glimlachend hun haren aan en strelen hun wangen alsof het geluk brengt. Kinderen trekken giechelend hun aandacht en roepen 'hellohowarrjoe?' Bedrijven worden spontaan stilgelegd, omdat het personeel op de foto wil met onze filmsterretjes. Onze meisjes ondergaan hun nieuwverworven positie aanvankelijk een beetje gelaten, vervolgens worden ze steeds enthousiaster (als ze merken dat ze overal een snoepje krijgen) maar op een gegeven moment is het genoeg, in ieder geval voor vandaag. Er komt in één keer zóveel binnen in die kleine hoofdjes...

Op het strand past een man met één been en een houten stelt de hele dag op onze dinghy, voor slechts 5000 rupiah = 40 eurocent. De man is er blij mee en tóch voel ik me een beetje schuldig. 40 cent! We bedenken dat we hem onze laatste dag in Kupang wat extra zullen belonen voor zijn diensten, zodat hij het schoolgeld voor zijn kinderen kan betalen.

Als we vrijdag een tour maken buiten de drukte van Kupang, kunnen we ook even aan het ándere Timor proeven. We zien eenvoudige maar nette huisjes langs een weg die zéér wisselend van kwaliteit is. We rijden langs sawa's, stoppen is een klein vissersplaatsje, bezoeken een zoutfabriekje en een werkplaats waar ze sasando's maken: instrumenten die een beetje op een harp lijken, gemaakt van bamboe en palmbladeren en oorspronkelijk afkomstig van het eiland Roti. We vinden het zo'n bijzonder instrument, dat we er één kopen. Géén idee hoe we die weg gaan stouwen en heel gaan houden tot in Nederland maar dat is voor later zorg. We kopen nog wat souvenirs van een iel mannetje dat op een betelnoot zit te kauwen, waardoor zijn tanden, tandvlees en lippen felrood gekleurd zijn. Echt gezond ziet het er niet uit.

Als Napa onze papieren voor Indonesië na een paar dagen helemaal gereed heeft, hebben we groen licht om Indonesië verder te gaan verkennen. En dat is maar goed ook want we lopen over van alle indrukken op dit bijzondere eiland. We verlangen naar een rustige baai, een wit strand en wuivende palmen. Op naar Roti!

Link + foto's

Darwin, Australië

Geplaatst op 6-7-2013

In Darwin is genoeg te beleven. Maar Darwin is, zo ver weg van alles, vooral iets ruwer dan de rest van Australië, een treetje terug op de luxeladder en: een beetje dichter bij het oorspronkelijke Australië.

Ons hoofddoel in Darwin is de visa voor Indonesië definitief rond te maken. Dat betekent opnieuw allemaal papieren invullen én vijf werkdagen wachten op het felbegeerde papiertje in onze paspoorten.

Verder moet onze schroef hoognodig worden gesmeerd maar in Darwin is jammer genoeg (zo blijkt) geen bootlift. Even overwegen we daarom de kiel op het zand te zetten, tegen de palen aan, maar dat durven we toch niet aan. Via zijn ongelooflijk snel opgebouwde lokale netwerk (een biertje en wat charmes openen alle deuren) regelt Huib Jan een nieuwe 'mate', oftewel een duiker, die het voor een appel en een ei aandurft tussen de 'salties' onze schroef te gaan smeren. Daarna loopt de schroef gelukkig weer als vanouds: geen geklap meer en ho is echt ho. Met een gerust hart kunnen we nu verder.

Helaas raakt Huib Jan geblesseerd bij het lanceren van de rubberboot op het strand. Met een zweepslag in zijn kuit moet hij deze week verplicht rust nemen op de Seaquest en alleen als het écht niet anders kan begeeft hij zich strompelend door Darwin. Het ziet er eventjes beroerd uit maar gelukkig is er na een paar dagen verbetering.

Tijd om nog wat van het gebied achter Darwin te zien is er eigenlijk niet en bovendien is dat nogal onhandig met onze geblesseerde kapitein en daarom besluiten we dat plan uiteindelijk maar los te laten en ons op Darwin zelf te richten.

We schipperen wat heen en weer tussen Frances Bay en Fannie Bay. Frances Bay is handig bij weinig wind en het is dichtbij het centrum, bij de supermarkt en de ambassade. Fannie Bay heeft weer heel veel andere leuke dingen en het ligt er rustiger bij zuidoosten wind.

In de lagune met kunstmatige golven hebben Maren en Linde het erg naar de zin. Maren oefent onvermoeibaar de hele dag het surfen op een surfboard en Linde doet niets liever dan in een zwemband meedeinen op de golven.

Vrijdagavond zien we een klein bootje met twee opgeschoten jongens de haven binnenvaren, met naast het bootje aan de haak een springlevende citroenhaai, die groter is dan het bootje zelf. Een nogal onhandige vangst, zeg maar... Ze trekken de haai mee naar de kade, waar vaderlief op het droge een poging doe de haak uit de bek te verwijderen. Maren is er als de kippen bij en maakt meteen van de gelegenheid gebruik de haai te aaien ("net schuurpapier"), voordat die weer het ruime sop kiest. Haar dag kan niet meer stuk!

Op 1 juli is het Northern Territory Day en dat wordt gevierd: de hele avond wordt er vuurwerk afgestoken op het strand. Wij liggen eerste rang, niet geheel zonder gevaar overigens want een verdwaalde vuurpijl zet zowat de boot van de buurman in lichterlaaie...

In Darwin 'tikken' we ook de Boomerang weer even aan. De kinderen halen álles uit de 24 uur dat ze elkaar zien en we vieren 'snel even' de verjaardag van John. Wordt vervolgd in Indonesië...

We bezoeken het 'Art Museum of the Northern Territory', waar we in een notendop -op de valreep- nog wat leren over Australië en Darwin. We zien o.a. een indrukwekkend grote opgezette saltie. Maar vooral de kunst, de verhalen, de geschiedenis van de Aboriginals zijn fascinerend. De verbintenis van de Aboriginals met hun land is in alles voelbaar. "People talk about country in the same way that they would talk about a person: they speak to country, sing to country, visit country, worry about country... country knows, hears, smells, takes notice, takes care, is sorry or happy... because of this richness, country is home, and peace; nourishment for body, mind and spirit; heart's ease."

Maar het aller-, állermooiste in Darwin is misschien wel de zonsondergang in Fannie Bay. Zelden hebben we die zó rood gezien als hier en dat levert echt schitterende plaatjes op.

Donderdag 4 juli kunnen we onze paspoorten weer ophalen bij de Indonesische ambassade en aansluitend gaan we meteen uitklaren bij het douanekantoor. Vertrekken kunnen we daarna helaas nog niet want de wind is, uitgerekend donderdag, vrijdag en zaterdag werkelijk he-le-maal 'op'. Maar zondagmorgen is het dan eindelijk zo ver: we heisen de zeilen voor de oversteek van 460 mijl naar Kupang op West-Timor. We nemen afscheid van Australië. 'Slechts' twee maanden waren we hier maar één zinnetje zal altijd blijven na-echoën in onze hoofden: 'No worries, mate.' Want dát zijn Australiërs, ten voeten uit.

Link + foto's