Rote en Savu, Indonesië

17-7-2013

Onderweg naar het eilandje Rote waait het zaterdag letterlijk een storm, al voelt dat helemaal niet zo bij tropische temperaturen. We schieten lekker op: met halve wind halen we een topsnelheid van maar liefst 9,7 knopen!

Na een paar uren naderen we de kust van Rote. Eén ding hebben alle detailkaarten van dit gebied gemeen: ze kloppen van geen kanten. Opletten dus. De ankerplek bij Rote die we voor ogen hadden blijkt niet beschut genoeg met harde wind en daarom varen we nog eens 11 mijl verder. We varen een rivier op. Op de kant staan kleine rieten hutjes verscholen tussen het groen. Om ons heen varen mensen in houten kano's. Maar opvallend hier zijn vooral -hoe pittoresk- de vele plastic flessen, die als boeitjes in het water drijven. Voordat je er erg in hebt, zit er één in je schroef... Die geïmproviseerde boeitjes (zo ontdekken we later) maken deel uit van een zeewierkwekerij. Bérgen zeewier moeten dat zijn want zoveel plastic flessen heb ik nog nooit bij elkaar gezien. Via de rivier komen we uit op een lagune, het Korobafomeer. Wow! Ons decor voor die nacht is uniek. Buiten de Luna Verde, mangrove, tropische vogels, nou ja: én plastic flessen natuurlijk, is er helemaal niets.

De volgende ochtend vieren we de verjaardag van Thijs met appelcake, tekeningen, Australische en Indonesische cadeautjes en heel veel gezelligheid. Daarna besluiten we door te varen naar de 'hoofdplaats' van Rote: Baa. Als we daar aan het einde van de middag aan wal gaan, worden we op het strand opgewacht door tientallen kinderen, allemaal lachend en 'hello mister!' roepend. Een 'mama' tilt Linde op, om haar vervolgens nooit meer los te laten, tot alle goedbedoelde aandacht onze kleine meid te veel wordt. We besluiten haar eerst maar eens het woord 'tidak' (=nee) te leren.

Tussen eenvoudige rieten hutjes, varkens, kippen en wederom glimlachende mensen door lopen we naar het 'centrum' van het dorpje Baa: één straatje met eenvoudige winkeltjes en huisjes, een kleine en primitieve versie van Kupang. Ondanks de eenvoud is het er op een bepaalde manier toch opgeruimd en georganiseerd. Wij zijn een bezienswaardigheid in het totaal niet toeristische plaatsje. Iedereen wil helpen, iets verkopen, ons aanraken, of gewoon... kijken, lachen.

De terugtocht in de dinghy in de donkere nacht blijkt de grootste uitdaging van de dag. Het is laagwater en we moeten het bootje een heel eind slepen, met de blote voeten door het slik, voordat we überhaupt drijven. Als we eindelijk varen, blijken we gevangen te zitten in het rif; het lijkt wel of we steeds weer een fuik invaren en even lijkt het onmogelijk om in de donkere nacht een doorgang te vinden naar de de Seaquest toe. Moeten we hier een paar uur blijven dobberen, wachtend op hoogwater? Min of meer toevallig vinden we na heel lang zoeken een uitweg uit onze benarde positie: geholpen door een grote golf schuren we met de onderkant van de dinghy over het dode koraal heen, op weg naar onze vrijheid, pffff... Eerst maar even een borrel op de Luna Verde.

Maandagmorgen gaan we vroeg uit de veren voor de volgende 80 mijl naar het eiland Savu. De voorspelde wind blijft helaas uit, waardoor we de hele dag moeten motorzeilen om voor donker aan te komen. Voor het dorpje Seba gooien we aan het eind van de middag ons anker uit, om vervolgens een heerlijke nacht te slapen.

Na schooltijd gaan we de volgende dag aan wal. We wandelen door een puur Indonesisch winkelstraatje, met koopwaar op matjes en in eenvoudige winkeltjes. Overal glimlachende mensen, het houdt maar niet op. Er hangt een relaxte sfeer en we voelen ons welkom.

We willen graag wat meer van het eiland zien en proberen een taxi te regelen. Dát valt nog niet mee op een eiland waar bijna geen toeristen komen. De plaatselijke politieagent is toeschietelijk maar hij krijgt het niet voor elkaar iets voor ons te regelen. Uiteindelijk brengt hij ons in zijn dienstauto naar het Ministerie van transport, waar ze ons hopelijk verder kunnen helpen. Ministerie is overigens een groot woord voor de plek waar we terechtkomen maar: helpen willen ze er wel. We hebben mazzel: ze hebben hier de enige echt werkende internetverbinding op Savu, vanuit twee bestelwagens met satellietschotels die er voor de deur staan, waardoor we m.b.v. Google translations goed met elkaar kunnen communiceren. Huib Jan en zijn vertaalvriend gooien er zo nu en dan een grapje in op de computer, wat de nodige lachsalvo's over een weer oplevert. Ondertussen worden wij door de medewerkers steeds maar weer op de foto gezet. We blijven een bezienswaardigheid. En zo bezorgen we de ambtenaren de middag van hun leven.

Na 2,5 uur komt er eindelijk een gids en hij kan, jawel, ook een taxi regelen: een soort veewagen waarin in Nederland koeien worden vervoerd. We zeggen meteen ja. Jammer genoeg is er na het lange wachten te weinig tijd om ons hele 'wensenlijstje' af te werken maar onze actieradius wordt vooral beperkt doordat de brandstof, die hier zeer schaars en duur is, bijna op is. Een bezoek aan een zeewierboerderij zo'n 20 km verderop is dan ook letterlijk niet haalbaar.

Samen met onze gids Albert gaan we naar het traditionele dorpje Namata. De wegen zijn... uitdagend, met vaak meer gat dan weg. Achter in de wagen hebben onze ingewanden het zwaar te verduren maar de omgeving en het uitzicht zijn het waard. We rijden langs sawa's, over heuvels begroeid met gras en lontarpalmen, langs kleine dorpjes, over een weg in de rivier, prachtig!

In Namata komen we onaangekondigd aan. Geen probleem, men is gastvrij. Wel krijgen we eerst een welkomstritueel, waarbij we allemaal worden besprenkeld met water uit een halve kokosnoot. Daarna worden we door een 'mama' met een ongelooflijk engelengeduld in traditionele kleding gehuld en dan zijn we meer dan welkom in het dorpje.

De 'locals' groeten elkaar door de neuzen tegen elkaar aan te drukken, een groet waar een bijzondere warmte vanuit gaat. Het dorpshoofd van bijna 90 jaar komt ons speciaal welkom heten en we mogen hem alles vragen. Een verzameling grote ronde stenen met een platte bovenkant trekt onze aandacht. Het blijken 'nada ae', megalieten te zijn, waarvan de herkomst in nevelen is gehuld. Samen vormen ze nu een soort heilige plek waar wekelijks ceremonies met rituele slachtingen van dieren worden gehouden. Het is een vorm van animisme, een geloofsvorm die hier net zo levend is als het christendom. Veel willen de inwoners er niet over kwijt en we vragen uit respect maar niet door.

De mensen wonen in eenvoudige huisjes op palen, die bestaan uit een soort houten kubus met daaroverheen, losstaand, een dak van palmbladeren. Tussen de huizen lopen varkens, kippen en geiten, vastgebonden aan de oren of de poten. We krijgen een demonstratie van het weven van een ikat, de 'lappen' die we zelf ook dragen. Het is een arbeidsintensieve en tijdrovende klus die we zo kunnen waarderen, dat we er één kopen. Ondertussen maken onze gids en chauffeurs nog steeds meer foto's van óns, dan omgekeerd. Wie komt hier eigenlijk voor wie?

Aan het eind van de middag staan we, moe maar voldaan van alle indrukken, weer op het strand bij onze dinghy. Albert, zo blijkt, heeft ons rondgeleid voor een appel en een ei. Wat hij vooral wil, is ons blij maken en vrienden blijven en dat bewijst hij nog eens door een 'normale' beloning af te slaan; een kleine vergoeding is prima maar de rest van het geld dat we hem gunnen geeft hij ons vastbesloten terug. Ongelooflijk, maar dit bestaat dus nog. Albert zwaait ons uit op het strand, ons met een grote glimlach achterlatend - en omgekeerd. Van oor tot oor.

Automatisch op de hoogte blijven van onze reis? Meld je aan via bovenstaande rss-button!