Sumbawa, Indonesië

29-7-2013

Voor het plaatsje Sangeang op het eiland Sumbawa gooien we woensdagmiddag ons anker uit, na een tocht van ruim 40 mijl vanaf Gili Lawa Laut. De stroming hadden we deze tocht behoorlijk mee, wat eerder geluk dan wijsheid was, maar daardoor gingen we wél 10 knopen over de grond! In ons kielzog de Luna Verde en de Boomerang.

Meteen komen kinderen in kleine houten kano's ons begroeten. De eerste drie bootjes verwennen we met een snoepje maar als er vervolgens van alle kanten wel héél veel kano's aan komen peddelen, stoppen we daar maar weer mee. Tijd om aan wal te gaan, waar we op het strand meteen wéér worden onthaald door allemaal kinderen, alsof ze elkaar hebben gewaarschuwd.

Op het strand van Sangeang worden grote houten schoeners gebouwd van zo'n 30 meter. De bouwwijze is traditioneel: er wordt uitsluitend gewerkt met houtverbindingen, uitgezonderd de kiel dan. Een ontwerp op papier ontbreekt maar dat lijkt hier ook niet nodig. Dit is puur vakmanschap en teamwerk zoals het is bedoeld; indrukwekkend om te zien.

Het dorpje zelf is echter minstens zo interessant: het heeft opvallend rechte straatjes, veel dezelfde soort huisjes-op-palen en het is goed georganiseerd. Later horen we dat het hele dorp in 1988 in één keer is verhuisd van de nog actieve vulkaan Sangeang (op het eilandje aan de overkant) naar hier, op last van overheid. Aha, vandaar.

We wandelen wat door het web van straatjes en geven onze ogen goed de kost. Overal zien we vrouwen die met een jobsgeduld grote ikat doeken weven in kleurrijke kleuren; kinderen op fietsjes; kinderen met hoofddoekjes op; vrouwen met manden, doeken, bakken en lange planken balancerend op hun hoofden; mannen met een geit onder de arm en ga zo maar door.

Maar wat ons vooral zal bijblijven is de steeds grote wordende schare kinderen die ons volgt. We lijken de rattenvanger van Hamelen wel! Aan het einde van onze dorpswandeling kopen we een grote pot met kauwgomballen en een baal met chips en bij het uitdelen daarvan wordt het 'rattenvangergevoel' alleen maar groter...

Vanaf het zwarte strand worden we even later vrolijk uitgezwaaid door (zo lijkt het) werkelijk álle kinderen uit het dorp. Vol van de indrukken zijn we dan wel toe aan een frisse borrel in de kuip, op ons eigen poepie-luxe 'eilandje' genaamd Seaquest.

Om zes uur de volgende ochtend staan we op, om gedrieën weer 75 mijl verder te gaan naar Kananga. Het is een pittige dagafstand. De zee is vlak en er staat een mooie maar wel érg wispelturige zeilbries, wat resulteert in een actieve zeiltocht langs het vulkanische landschap van Sumbawa. We moeten bovendien alert blijven op de lange visnetten, waarvan er hier verdraaid veel in de zee liggen.

Eenmaal bij het dorpje Kananga gaan we maar even niet aan wal, nog vol van de indrukken van de dag ervoor, die ons systeem nog niet helemaal heeft verwerkt. En eigenlijk is het ook niet nodig want het dorpje komt weer naar ons toe, in de vorm kinderen in houten kano's. Die blijven als muggen op stroop rond de Seaquest dobberen. Ze zijn vooral nieuwsgierig - en hopen natuurlijk op snoepjes, stiften, kleding o.i.d. Maren mag een stukje in een bootje meepeddelen, tot grote hilariteit van de jongens, die niet elke dag een blonde meid in de boot hebben.

Vrijdag varen we 'naar de overkant', naar het eilandje Pulau Satonda, waar we een snorkelstop willen maken. Die stop levert vooral littekens op: met een grote klap knallen we met de kiel op een bombie, oftewel koraalhoofd. Au! Linde heeft een buil op haar voorhoofd, de volledige inhoud van de vaatwasser vliegt door de boot en vanaf nu is het koraal hier blauwer dan ooit tevoren én de onderkant van de Seaquest is nog nooit zo wit geweest; een pijnlijke constatering... De vissen lijken het overigens niet erg te vinden, integendeel, want bij de verse 'wond' op het koraal is het een drukte van jewelste, alsof er een gratis galadiner is opgediend. Misschien hebben we toch iets goeds gedaan?

Als we van de schrik zijn bekomen, varen we door naar Pulau Moyo, weer een ander eiland voor de kust van Sumbawa. Daar gooien we net voor zonsondergang ons anker uit, vlak voor een piepklein dorpje. Om ons heen wemelt het van de vissers in kleine kleurrijke houten bootjes, die de hele dag behendig zitten te vissen met slechts een visdraad en een haakje. Met een snelle handbeweging trekken ze de visdraad steeds omhoog en daarmee vangen ze opvallend veel vis.

Nog voordat we goed en wel liggen, worden we -in het Nederlands- opgeroepen door een ander schip dat ook in de baai ligt. Leo (zo blijkt) was vroeger eigenaar van een jachtwerf in Harlingen. Hij woont sinds acht jaar op Bali en heeft werkelijk de állermooiste charterboot laten bouwen die hier rondvaart: de Mutiara Laut, een houten schoener van bijna 40 meter (zie www.mutiaralaut.com). Leo herinnert zich de bootnaam 'Seaquest' van vroeger en nodigt ons uit om wat te komen eten en drinken. En zo zitten we even later aan tafel bij Leo, Philippe en Frans, drie Nederlanders die we stomtoevallig ontmoeten in een baai bij Pulau Moyo 'of all places'. Leuk detail: Frans heeft ons drie jaar geleden nog uitgezwaaid op Vlieland en nu staan we elkaar hier, stomverbaasd, weer aan te gapen. Net voor middernacht zijn we weer aan boord van de Seaquest, na een verrassend leuke, lekkere en onvergetelijke avond. Toeval? Het bestaat!

Automatisch op de hoogte blijven van onze reis? Meld je aan via bovenstaande rss-button!