Christmas Island, Indische Oceaan

2-9-2013

"We wish you a merry Christmas, we wish you a merry Christmas, we wish you a merry Christmas..." klinkt het zaterdagochtend tijdens het ontbijt op de Seaquest, de ochtend nadat we hier zijn gearriveerd. Maren en Linde vinden het maar een leuke naam. Christmas Island heeft echter niets met kerst te maken, behalve dan dat kapitein Mynors van het schip 'Koninklijke Mary' van de Engelse Oost-Indische Compagnie hier op kerstdag 1643 langszeilde en het eiland deze naam gaf.

Onze eerste indruk van Christmas Island is misschien niet de meest charmante: we liggen op een onrustige ankerplek, kijken uit op een lange industriële pier die gebruikt wordt voor het laden van fosfaat voor de export en zien identiteitsloze, trieste flatwoningen in het Maleisische dorpje waar we naast liggen. Hmmm...

Onze tweede indruk maakt echter veel goed: we liggen aan de mooring voor een indrukwekkende groen begroeide rotswand. Naast ons een strandje. En de beste snorkelplek van het eiland? We hoeven alleen maar overboord te springen en we liggen er middenin!

We besluiten aan wal te gaan. Bij het inklaren gaat het al goed: de mensen zijn hier ontzettend aardig, behulpzaam en relaxed. Inklaren doen we 'gewoon' op de kade en ze doen helemaal niet moeilijk, een grote tegenstelling met het 'vasteland' van Australië. De bevolking, zo'n 1500, is een mengeling van Chinezen, Maleisiërs en Australiërs. Ze leven gemoedelijk samen. En daarnaast schijnen er héél veel bootvluchtelingen te zijn die hier Australië proberen binnen te komen. 'Big business' hier, getuige de marineschepen die voortdurend aan het patrouilleren zijn.

Maar eerst het technische gedeelte. Huib Jan en Thijs sleutelen het roerliever van het roer. Nu zijn we écht stuurloos, niet echt een prettige gedachte... Ze gaan op zoek naar een lasser, die ze op een eiland als dit zelfs op zaterdagmiddag om 5 uur zó hebben gevonden. De instelling van de lasser typeert Christmas Island: de man vindt het érg vervelend voor ons en maakt -in het weekend- meteen tijd om ons probleem op te lossen. Want problemen heb je hier niet alleen, nee, problemen heb je hier samen en die los je ook samen op. Geweldig. Wát een eiland.

We proberen een auto te huren maar een huurauto is hier niet (meer) te vinden. En eigenlijk (zo blijkt) is dat ook niet nodig want we hebben onze duim nog niet opgestoken of we krijgen al een lift aangeboden, op zoek naar de lasser, het toeristenbureau of de supermarkt. Voor een rondje om het eiland willen we echter toch graag 'iets meer' zien te regelen. De oplossing is dichterbij dan we denken: een Australiër op het strand biedt ons spontaan voor een paar uur zijn auto te leen aan met de opmerking: "No worries, mate..." Geweldig natuurlijk!

De natuur is uitbundig, overvloedig: we zien regenwouden, grotten, prachtige kusten, indrukwekkende 'blowholes', broedende boobies, zwevende fregatvogels maar vooral ook héél veel krabben. Allereerst wonen hier in het regenwoud miljoenen(!) rode landkrabben. Ze zijn bekend door hun massale jaarlijkse migratie vanuit het regenwoud naar de zee én weer terug, om eitjes te leggen. Voor die massale trek zijn we te vroeg in het jaar maar links en rechts zien we krabben genoeg; prachtige felrode beestjes.

Nog meer indruk maken misschien wel de robberkrabben, oranjeblauw gekleurde krabben die zo groot kunnen worden als een voetbal. En dat is gróót! Ze lopen gewoon op de weg en als we niet opletten rijden we ze zo de scharen van het lijf. Ze wijken namelijk geen meter en dat is ook niet 'des Christmas Islands' want hier wijken de mensen voor de krabben i.p.v. omgekeerd. Maren vindt de robberkrab 'machtig interessant' en wil hem wel eens van dichtbij bekijken. Linde daarentegen vindt hem dóódeng en ze smeekt ons huilend haar op te tillen. En eerlijk is eerlijk: het is ook wel héél veel krab naast een meisje van vijf jaar.

Als maandag het roerliever weer gemaakt en gemonteerd is, kunnen we ons op gaan maken voor de volgende 530 mijl naar Cocos Keeling. Dan zien we ineens een marineboot met vluchtelingen langs de Seaquest varen. En nog één. En nog één. En zo gaat het maar door. Mensen uit Somalië, Afghanistan, Syrië, etc. die in Australië het beloofde land hopen te vinden. Een jonge moeder met een baby bijvoorbeeld. Ze worden aan wal gebracht, gefouilleerd en in een bus naar één van de drie asielzoekerscentra op het eiland gebracht. Het onverwachte 'tafereel' pal naast de Seaquest grijpt me aan. Hoe nijpend moet de situatie in je thuisland zijn, wil je deze stap zetten? Wat zou er nu door hun hoofden gaan? Wat staat hen te wachten? We zijn er stil van. Des te groter is het besef hoe gelukkig en bevoorrecht wij zijn: morgen gooien we ons lijntje los om te vertrekken naar wéér een paradijs. Gewoon, omdat we er zin in hebben...

Automatisch op de hoogte blijven van onze reis? Meld je aan via bovenstaande rss-button!